Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ijveraars en drijvers, wij die ons geluk en onze rust vinden in het streeven naar een idéale menschheid, — moeten wij dat alles opgeeven? Gij spreekt van dwaasheid en wijsheid, en niemand verlangt dwaas te blijven. Moeten wij dan hande* len naar uw wijsheid?

Hier zegt Brouwer, in hetzelfde korte hoofdstuk, de vol* gende woorden, die harmonie brengen in het schijnbaar ver* warde en verbijsterende:

Ge zult niet beeter willen wezen dan ge zijt....

niet beeter zult ge de waereld willen, dan ze is....

Dit is aldus te verstaan: De menschheid is een ontluikende bloem, wat haar gisteren wijsheid scheen, acht ze heeden dwaasheid.

Het eenige wat de mensch met willen en weeten te zoeken heeft, is: zelf «inkeering, dat is terugkeer tot den Schepper die hem uitzond.

Voor 't ooverige handele hij naar zijn wijsheid, en niet naar die van anderen.

Wie het voelt als plicht en als lust te propageeren, te her* vormen, te bouwen, te knutselen — hij doe het, en zijn actie zal meede de menschbloem doen ontluiken.

Maar hij moet niet beeter willen zijn dan hij is, en dus ook niet trachten te handelen naar de wijsheid der weeder* geboorenen.

Dat voert noodwendig tot huichelarij en tot dweeperij.

Hij moet echter ook de waereld niet beeter willen dan ze is, — want de waereld zal ontluiken naar den wil des Scheppers en niet naar die der schepselen. De bloem is niet het einddoel, en ook de vrucht niet, die in de bloem ontstaat. Dat alles is schijn en vergankelijk. Maar de voor ons onzicht* bare Schoonheid, de voor ons onbegrijpelijke Vreugde — „die ewige Freudenreich" — zooals Boehme zegt — wordt uit de bloem gewonnen.

En alle menschen, wijzen en dwazen, zelf*ingekeerden en

96

Sluiten