Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

actieve werkers hebben dat te weeten en te erkennen. Want er is geen mensch of hij heeft de macht in te zien dat zijn waereld een schijnwaereld is, en er is ook geen mensch zóó laag, zóó dom en zóó slecht of hij kan gebracht worden tot de vertrouwelijkheid met Hem, dien Jezus onzen Vader noemde.

V.

BROUWER OOVER DE TAAL.

In 1889 schreef ik een opstel oover Gorter's verzen, waarin ik trachtte duidelijk te maken, hoe dwaas het is, als menschen samen babbelen oover God, oover het Hoogste, oover Kunst, oover Poëzie en daarbij meenen werkelijk iets te zeggen.

„Heet gedecideerd vragen de menschen elkaar: Geloof je aan God? — zoo zeeker van hun zaak alsof ze vroegen: Hou je van thee? — en er wordt „neen" of ,Ja" geantwoord met gelijke beslistheid, alsof de zaak daarmee was afgedaan, alsof alles nu geheel duidelijk was, alsof men door zulk leedig woordspel iets van elkanders intieme weezen had begreepen".

En later heb ik herhaaldelijk er op geweezen hoe „taal» kritische bezinning" een kenmerk was van de geestelijke revolutie van onzen tijd. *)

In 1905 schreef ik een opstel oover „Poëzie, Wijsbegeerte en Mathesis" waarin ik wees op het merkwaardige, door weinigen begreepen stukje van den mathematicus Mannoury, getiteld „Hegelen of Cijferen" — in „de Beweging" van 1905. DL 72.

Voor 't eerst vond ik daarin op scherpe, treffende wijze uitgedrukt, dat de wiskunde, eevenals de poëzie, onlogisch is. Dat de logica, van de taal niet de logica is van de werke*

*) O.a. in het niet in 't Hollandsch verscheenen boekje „Happy Hu* manity, Doubleday Page & Co., New York; duitsche editie Glückliche Menschheit S. Fischer, Berlin (pg. 264).

97

7. L. den W.

97

Sluiten