Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lijkheid. Dat de filosofie, begreepen als redeneerkunde, als „logisch denken", onmachtig is in de taak, die ze meent te verrichten, omdat ze in de taal een ondeugdelijk werktuig heeft.

En in datzelfde jaar 1905 hield Brouwer zijn Delftsche reede, die mij eerst tien jaren later onder de oogen kwam.

Daarin zegt hij: „ridicuul wordt het gebruik van de taal.... als zoogenaamde wijsgeeren of metaphysici handelen onder elkaar over moraal, over God, over bewustzijn, onsterfelijk* heid en vrijen wil; menschen die elkaar niet eens liefhebben, laat staan gemeenschap hebben in fijner zielsbeweeg, ja die soms elkaar niet eens persoonlijk kennen; dan praten ze óf langs elkander heen óf ze bouwen een logisch systeempje dat alle verband met de werkelijkheid mist.

Men lette op de woorden „die elkaar niet eens liefhebben" om goed te voelen hoe dit inzicht afwijkt van de algemeene denkwijze.

„Wat nu?" zeggen onze geleerden en zoogenaamde wijs* geeren „wat heeft „liefhebben" met weetenschap te maken? Moet ik dan bijzonder veel van een collega houden om met hem een wijsgeerig gesprek te kunnen voeren? Dat strijdt teegen alle weetenschappelijke begrippen en beginselen. De Weetenschap en de Reede staat booven alle sentiment".

Ze staat er niet booven, geleerde Heer, maar er buiten — en daarom is ze voor de kennis van het Leeven, van de Werkelijkheid, waardeloos, zoolang ze „buiten" en „booven" verwart. „Logica kan begeleiden, maar richten uit eigen kracht nooit" zegt Brouwer, „ja, een bestaande wilsgelijkheid kan schijnen logica met voeten te treeden, zoo kan het samen zeggen: „er is geen kwaad" en „er is niets dan kwaad" slaan op eenzelfde eenheid van zin.

Die „taalkritische bezinning" is een allergewigtigste zaak.

Het is als een vast kenmerk waaraan men in onzen tijd den Wijzen Mensch kan onderscheiden.

98

Sluiten