Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dan moogen ze hier gewaarschuuwd worden, en in hun eigen onbedriegelijk gevoel de kracht vinden om zich schrap te zetten en weerstand te bieden aan de verleiding van dweepzucht en ooverdrijving.

„Voor geen man heeft in 't voldongen Karma de vrouw een plaats: zij is een van zijn weg af lokkende sirene".

Is dit waarheid? Zelfs in den mond van den voor de waereld afgestorvene? — Maar wie is dat? Boeddha? — Paulus? — Franciscus? Ook bij 't noemen dier groote namen moogen wij aarzelen.

En voor elk, die minder is dan deeze drie, is het aangehaalde woord zeeker onwaar. Het is zeeker misleidend in den mond van ieder onzer, zeeker misleidend in den mond van Brou* wer, zelf.

„de man (heeft) de vrouw te mijden, te negeeren, wil hij niet lichtzinnig zijn Karma verzwaren, wil hij niet ten onder gaan".

Voor wie geldt dit?

Toch zeeker niet voor den schrijver van „Epipsychidion", den hartstochtelijk menschelijken Shelley. Maar ook niet voor Goethe, die de vrouw zoo goed kende, — zóó goed, dat Brouwer zelf bij voorkeur Goethe's kenschetsingen gebruikt.

En als Brouwer mocht zeggen, dat Goethe toch ook nooit de vrouw in haar gansche diepte heeft begreepen en be* heerscht, en in zijn leeven heeft getoond hoe hij, een der grootste mansgestalten, dupe is geworden van vrouwelijke verleiding, — dan vraag ik, of dat ook van Dante gezegd kan worden. Ook voor Dante is „das ewig Weibliche" geen „helsche verleiding" maar een tot God omhoog brengende kracht.

„daaronder, in den donkeren ondergrond van de sekse, waarmee ze belast is, lokt ze hem op paden, die zijn ven derf zijn."

103

Sluiten