Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dit is een begripsverwarring — die voortkomt uit de averechtsche leevens* en natuurbeschouwing van den Wester» ling, nog verergerd door het doen van pseudo*artiesten, die het publiek naar de oogen zien en gehoorzaam beproeven de natuur zoo precies moogelijk na te bootsen.

Wanneer men de stoffelijke natuur, de waereld der ver* sChijnselen, beschouwt als de uiterste en laatste werkelijks heid, als het volstrekte en onveranderlijke, als den grond aller dingen — en zoo doet thans de gemiddelde Westerling, gehoorzaam aan zijn académische professooren — dan kan er geen 'hooger kunst bestaan dan een zoo precies moogelijke natuursnabootsing.

Maar de echte kunstenaar voelt — uit intuïtie — wat de groote wijzen der menschheid altijd geweeten hebben, — dat de stoffelijke natuur een schijn is, in zichzelf onweezen* lijk, — schoon en belangrijk alleen door hetgeen ze aanduidt en beteekent, — door hetgeen ze niet zelf is, maar uitdrukt,

— door datgeen, waarvan ze is symbool, teeken en expressie,

— door het 'Eeuwige Waarachtige Weezen.

Daarom zal de echte kunstenaar de natuur niet naboot» sen, want dat helpt hem niet tot zijn doel: —de vereeniging met zijn meedemensch, in schoonheid en geluk.

Maar hij zal wel de gegeevens der natuur gebruiken en benutten. Hij zal met behulp van élementen uit zijn natuur» waarneeming, zijn eigen ontroering meedeelen, iets zeggen.

Het is echter duidehjk dat hij daarbij niet aan de natuur gebonden is. Hij gebruikt alles wat hem dienstig voorkomt tot zijn doel. De gegeevens der natuur zijn hem allen welkom

— juist omdat het ook allen expressieve middelen zijn voor de eeuwige Weezenheid, die hen schiep. De artiest gebruikt die gegeevens daarom in hun expressieve kracht, maar eigen* machtig en gerechtigd tot kiezen van hetgeen hem voor zijn heilig doel het beste voorkomt.

Een landschap drukt voor den gevoeligen mensch altijd

110

Sluiten