Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

A. ALETRINO t

Weinigen die mij lief zijn, neemen bij hun weggaan zulk een groot stuk van mijn leeven mee als hij. Ik staar op den naam, met het kruisje er achter — en ik kan het mij niet goed indenken dat het nu werkelijk zoo is, eeven stellig als ook mijn naam met het kruisje er achter, eenmaal verschij* nen zal.

Sam Aletrino ■— hij heette Aaron, maar werd Arnold ge* naamd door zijn familie, die zich voor den joodschen naam schaamde, — en voor mij is hij Sam, mijn goede Sam, de éénige academievriend, die mijn vriend gebleeven is, de trouwste en meest aanhankelijke vriend dien ik van mijn jeugd af behield.

Hij was het, wien ik mijn „kleine Johannes" voorlas, en die daarbij in tranen uitbarstte. Hij had zulk een ligt* beweegelijk gemoed en zijn tranen kwamen spoedig. Hij was het ook, die mij het denkbeeld ingaf van den gruuwelijken tocht door de graven, met Pluizer.

Hij zat vol diepe, zware somberheid. En toch was hij het, die mijn studententijd heeft verhelderd en vervroolijkt.

Er was veel leelijks in mijn studentenleeven —■ ik denk er niet graag aan — behalve aan alles wat op den goeden Sam 'betrekking heeft. Dat is vroolijkfaeid en aandoenlijk om te ooverdenken.

De Zaterdagmiddagen als wij na het college bij hem kwamen koffiedrinken, met Weissenbruch de pharmaceut, en Ham de medicus.

Dan werden er veel booterhammen met jam gegeeten en er werd piano gespeeld en er werd verbazend gelachen.

Niemand kon lachen als Sam. Als hij een van zijn malle verhalen begon, dan bleef hij meestal middenin steeken door zijn eigen gelach. Hij kon er niet uitkoomen van 't lachen, hij begon op nieuw twee. drie malen, maar het lachen was hem te machtig, en zijn bril dreef weg op zijn tranen.

143

143

Sluiten