Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat nog onvoltooid is, en waaraan alle geloovigen meede* werken. Allen, van den hoogsten tot den laatsten, arbeiden mee, — en elk naar zijn bizondere begaafdheid. Niemand behoeft leedig te zitten.

Sommigen hebben tot opgaaf het monniksleeven. Hen past het te zwijgen en te bidden. Dit schijnt voor den oppervlak* kige het minst nuttig, het meest zelfzuchtige. Maar wie de beteekenis van het monniksleeven kent, spreekt anders. — Hij zal hun taak juist de schoonste noemen. Want deeze voor de waereld verstorvenen houden het vuur der heiligheid brandende, dat als een bakenvuur zijn zwaayende licht* bundels laat glijden oover de donkere aarde en de woe* lende zee.

Als de monniken er niet waren, waar was ons voorbeeld ter heiliging, waar zouden de getuigen zijn van het booven* natuurlijke leeven, wie zou den duurzamen gestadigen band vormen tusschen God en mensch, door nimmer stakende devootie en gebed?

Wat is de thans meer en meer in zwang koomende retraite anders dan een korte navolging van het monniksleeven, die ons sterkt en herinnert aan het bestaan van de hoogste zalig* heid, door devootie en versterving bereikbaar, en ook aan den waereldmensch tijdelijk kenbaar?

De eerbied voor het monniksleeven is de eerste toenade* ring van den ongeloovige. Dat zuivere en heilige bestaan, gedrenkt door de heldere stroomen van 'het boovennatuurlijk leeven, dat bewijst voor den aandachtigen beschouwer de waarheid en de kracht van het Geloof.

Het zijn monniken geweest, die door hun teederen, en toch zoo geweldig sterken invloed mijn ziel 'hebben gelokt en mijn godsdienstig verlangen hebben bevreedigd.

Maar niet allen kunnen het monniksleeven leiden. Dat kunnen alleen de geroepenen en de uitverkoorenen. En ons aller heil is hun doel.

157

Sluiten