is toegevoegd aan je favorieten.

Samenwerking

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

7

der kolonie den plicht haar tot ontwikkeling te brengen, opdat deze, voorzoover de invloed van het milieu op het karakter geen onoverkomelijken hinderpaal vormt, allengs in staat worde, zelve de natuurlijke rijkdommen van eigen land en bodem tot waarde te brengen. Tegenover de wereldeconomie heeft het daarnaast den plicht om, zoolang die inheemsche bevolking daartoe niet of niet voldoende opgevoed is, de exploitatie van die rijkdommen door anderen naar vermogen te bevorderen. Nederland, dat tot taak heeft de Inlandsche bevolking op ta voeden tot zelfstandigheid, moet haar leeren, dat geschiktheid tot politiek zelfbestuur, indien dit blijvend vruchtdragend zijn zal voor haar zelve, gegrondvest moet zijn op vaardigheid tot economisch zelfbeheer."

Nederland kan zijn belang niet doen overheerschen. Integendeel, bij dezen arbeid der opvoeding, heeft het juist de taak op zich te nemen om Indië te leeren zijn eigen belang te zien, om dat belang in zijn waren aard te begrijpen en om aan de bevestiging van dat belang te arbeiden. Nederland zelf gaat dus Indië voor in het behartigen van Indië's belang. In datzelfde artikel zegt de heer Treub, sprekende over het proces der vervreemding van Nederland, welke proces in Indië plaats grijpt:

„Indië is bezig niet alleen politiek, maar ook economisch van het moederland te vervreemden.

De Nederlandsche Regeering zal er niet in slagen de politieke verwijdering tegen te gaan, indien ze met geweld den drang naar zelfstandigheid zou willen onderdrukken. Haar taak is de beweging in gezonde banen te leiden. Nevens de krachtige maatregelen tegen heethoofden zal het Gouvernement den indruk moeten vestigen, dat het er ernstig naar streeft, het volk op te heffen in materieelen en geestelijken zin en het zoodoende in staat te stellen gelijdelijk het zelf behandelen van eigen zaken te leeren. Een dergelijke politiek vereischt grooten tact en staatsmanswijsheid. Met schoone leuzen en ontboezemingen komt men op dit gladde terrein niet verder".

Dit proces van vervreemding, van losweeking — zooals men het ook noemen kan — heeft niets verontrustends. Niets verontrustends, omdat normale groei nooit verontrusting kan teweeg brengen, al zit er in allen groei ten slotte iets tragisch, al slaat eens het uur, dat de volwassene zich van onder moe-