Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

42

grootvader noch naar zijn moeder, maar heimwee beving hem soms, wanneer hij dacht aan de heide, aan de hazen en bijen, aan den peinzenden herder, aan de zigeuners en het witte paard, dat hun bonten wagen trok, aan het statig onweer. Dan kon hij rustig zitten en zoetjes neuriën als vroeger, toen hü de boekerij zijns grootvaders beschouwde, totdat lüj Jaap of Kees op straat hoorde fluiten, en hü opsprong, zijn pet greep en wegholde. Maar stellig zou hij het vreeselijk hebben gevonden, als hij het volle kinderleven, dat hij nu genoot, voor zijn vroegere afzondering weder had moeten prijsgeven. Heerlijk was het eenzaam te zwerven op de geurige heide, maar heerlijker was het gezamenlijk belletje te trekken in de donkere straten des winters, of boschbessen te plukken, als het weer nog warm en het bosch nog groen was, ten spijt van den naderenden herfst, of eenige weken later, de een achter den ander, te schuifelen door de roode en natte blaren, die aan weerszijden van het boschpad waren geveegd en beukenoten te zoeken, die tusschen de stammen rijkelijk gestrooid waren, of te worstelen met den bok, dien men bij de hoorns greep en die graasde aan den zoom van het woud, terwijl het dorp rustte onder de zware middagzon; ja, heerlijker was het gezamenlijk te zwerven door de bosschen en over de

Sluiten