Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

52

Dien avond, nadat hij behoedzaam den sleutel had omgedraaid in het knarsend slot, ontkurkte hn de flesch. Hij had zün vertrek, vooral de tafel, waarop hij zijn huiswerk deed, geordend, als wachtte hij bezoek en met zorg het glas omgewasschen en uitgespoeld, waarin hij des morgens met zijn tandenborstel roerde. Toen de kurk eindelijk met een doffen toon aan den hals ontgleed, voelde hij zich zoo ontroerd, dat hij ging zitten op den stoel voor de tafel, waar het glas gereedstond; zijn handen beefden. Dan schonk hü den wijn, die luid klokkend stroomde door den nauwen hals en snel steeg in het plompe glas. Hij vulde het niet geheel, want hij had een avond aan tafel zijn grootvader hooren zeggen, dat de kenner den wijn niet hooger schenkt dan tot een vingerbreedte van den rand en in een glas, dat naar boven zich vernauwt, opdat beter de geur binnen den glazen wand droomen blijve. En een oogenblik voelde hn zich wrevelig, dat hü verzuimd had een wünglas te koopen. Maar reeds hief hij het onbetamelijk bokaal; een machtige en edele geur prikkelde zijn reuk zoo sterk, dat een genotvolle rilling hem doorvoer. Hij bewoog het glas onder zün neus en snoof den tintelenden geur op, in houding en gebaar zuiverlijk een drinkebroer. Toen nam hu een slok. Gelijk een trage, heete stroom zonk de

Sluiten