Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

54

hem, dat hij dit kleine en domme glas niet met machtige slokken kon uitputten. Weer was het leeg. Toen viel een luide slag van den hoogen toren, langzaam vergalmend in den stillen avond. Hij wilde zich omwenden naar de plaats, waar zijn wekker haastig tikte, maar opeens scheen de kamer te zwaaien omlaag, omhoog en het volgend oogenblik lag hij op den grond naast den stoel. Hij had zich geen pün gedaan, was ternauwernood geschrokken, maar toen hij wilde opstaan, werd het zwaaien zoo heftig, dat hij bang werd en zitten bleef. Toen begreep hij, dat hij dronken was en dit verwonderde hem; maar gelijk een helle flits door een nevelige ruimte, schoot de gedachte door zijn brein, dat men niets merken mocht. Hij stond op, zich vasthoudend aan het bed, eerst op zijn eene, dan op zijn andere been. Eenmaal overeind, ging het beter; in steê van het geweldig zwaaien, een onrustig dobberen, schommelen, wemelen. Terwijl hij de flesch wegsloot en het wijnglas in de waterkan dompelde, deinde het vertrek als een zeeschip, maar onder het uitkleeden stampte en slingerde het als in een storm, zoodat hij zich een paar maal aan het bed moest vastgrijpen om niet te vallen. Toen hij eindelijk onder de dekens lag en de kaars had uitgeblazen, voelde hij een zware rust zijn lichaam doorbomen. Een enkele maal

Sluiten