Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

70

een havelooze gestalte naderen. In het gouden schijnsel van een eenzame lantaarn, die zich spiegelde in de modderplassen, verscheen een schraal kind, het bleek gezicht omsloten door een sluiken doek. Haar oogen lonkten in een verlegen en ontuchtige grijns en zij had aardig kunnen zijn, als verdorvenheid en ontbering haar trekken niet hadden verslonsd. Beiden bleven staan.

— Ga je naar huis? vroeg hij.«

Haar grijns verbreedde zich en zij wikkelde zich vaster in den doek, want de wind was scherp. Hij stampvoette zijns ondanks.

— Ga je mee? vroeg hij dan.

Zij gingen den nacht tegemoet. Hij zag het riet in de slooten langs den weg schimmig golven onder den wind en hij hoorde het heimelijk ruischen. Toen wilde hij haar nek grijpen, maar zoo driftig was zijn ongeduld, dat zijn gebaar stootend werd en zij bijna viel....

Intusschen had hij zijn oude en lange wandelingen hervat, in een krachtige terugwerking van zijn gezonde natuur op de geestelijke vermoeienissen, die hij met vreugde zich bereidde. Hetzij het weer dreigde of praalde, hetzij de aarde stoofde onder de zomerzon, of, hardgevroren, klonk onderzijn hakken, hetzij de wind muffe en*kille dampen

Sluiten