Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verte de stad als een middeleeuwsche veste om haar ouden toren in de avondzon zag liggen, meende hij, dat dergelijke gedachten toch in strijd waren met het pessimisme, dat hij beleed. En dien avond waren zijn brauwen gefronster en zijn voorhoofd geplooider dan gewoonlijk.

Den volgenden morgen, toen lüj eenige heerige jongeüeden uit de laatste klasse der hoogere burgerschool, die hij van aanzien kende, zou voorbij gaan, ontmoette hü opeens een spottenden, stekenden blik van een hunner, zoodat hij, verwonderd, zijn gang vertraagde. Maar de anderen gingen verder en ook hü wilde zijn weg vervolgen, toen lüj achter zich hoorde roepen: — Lakeienzoon... hoerenkind... Hij stond stil in een wonderlijke verbijstering, voelend, dat deze smaad hem gold en toen hü zich omwendde, zag lüj den beleediger ook stil staan, die hoonend wuifde met zijn hand en tergend lachte met zijn vrienden. Maar zijn gezicht verschoot, toen hij Peter naderen zag, lijkbleek, met vraatzuchtige onderkaak en helsche oogen. Hij wilde wijken, vluchten, maar reeds stortte zich Peter op hem en als een beest zou hij hem hebben aangevlogen, met alle vier klauwen in zijn vleesch, ware het mogelijk geweest Blindelings mokerde hij op hoofd en romp van den onvoorzichtige, die zich ternauwernood

76

Sluiten