Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

106

het werpen van speren en als hij zijn ezel besteeg, zwaaide hij zijn rechterbeen over de schoft van het grauwtje met een zwier, gelijk alleen een volleerd en bekwaam ruiter vermag. Maar dikwerf gebeurde het, dat zijn krachten hem onverhoeds ontzonken, al dadelijk een der eerste Zondagen, toen hij haar, die rustig troonde op het ezelken, gevoerd had naar een kettingbrug, die in een wijden boog hing over een ravijn, waardoor een beek stroomde. Hij zou haar toonen op welke wijze men aan den spits, zijner troepen een verschansing bestormde en met zooveel onstuimigheid had hij herhaaldelijk de rammelende brug op en af gehold, dat zijn fijne trekken opeens slordig waren geworden, zijn gezichtkleur groezelig, terwijl zijn oogen hol en dof hadden gestaard. Hij was gaan zitten op den rand van het pad, had grassprieten uit den grond getrokken, waarop hij gekauwd had, wachtend totdat het hijgen zou verminderen en kijkend met trieste oogen naar een kwikstaartje, dat op het pad een weinig verder weghipte op stijve beentjes en telkens tartend naar hem omkeek. Kleine Inez was erg geschrokken, had hem gebeden straks in haar plaats het ezeltje te beklimmen, zij zou wel loopen. Maar hij had het hoofd geschud, zijn halmen kauwend en toen hij, zich beter voelend, eindelijk was opge-

Sluiten