Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

135

zwanen, die onder oude stadswallen in paarse avonden geluidloos ronddreven, toen zij slenterpassen naderen hoorde en zij even later, onder een romantischen flambard, een baardeloos en verwelkend gezicht, met dunne, bleeke lippen en verwonderde, blauwe oogen achter smalle glazen haar vriendelijk zag toeknikken. Zij herkende Dr. Rupius, den kleinen rector.

Hij belde, trad binnen, hartelijk verwelkomd door de echtgenooten. Oom Sijmen en Dr. Rupius kenden elkaar sedert hun vroegste jaren. Als bengels hadden zij op de grinthoopen dezer zelfde Rijnkade gespeeld. Als gymnasiasten hadden zij op lange wandelingen in den omtrek elkaar hun eerste idealen vertrouwd en in Leiden waren zij samen zoo niet dronken, dan toch vroohjk geweest. En ook later, toen oom Sijmen in den Haag werkzaam was op zijn departement en Dr. Rupius in Dokkum de sacrosancte oude talen aan friesche knapen onderwees, waren zij in briefwisseling gebleven, deelend van jaar tot jaar in eikaars vreugden en eikaars kommer.

Dr. Rupius was getrouwd met een groote, zware vrouw, zenuwachtig en twistziek en die znn kalme neiging tot een leven van studie en bespiegeling en huiselijken vrede op het zeerst verstoord had. Zij hadden een zoon gehad, een begaafden en

Sluiten