Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

138

zij dacht aan het huis aan de Rijnkade, aan Peter, gelijk hü haastig en schichtig onder de boomen van den singel voorbijging, aan Angerenstein, waar nu vreemde menschen woonden, aan Ronald, die dood was.

Zij gingen terug, toen op de hoogten de boomen reeds ontbladerden, de wolken in rustelooze vluchten door de dalen gleden en luider het bruisen van den bergstroom werd en op de terugreis bezochten zij den oerouden toovenaar met het glazen oog en de langzame, wuivende gebaren en, een paarsen avond, zag kleine Inez de zwarte zwanen drijven onder de oude wallen.

Den avond van hun thuiskomst luisterden oom Sijmen en tante Barbara in gespannen verwachting, maar niet lang duurde het, of zij hoorden als vroeger Peters behoedzame stappen omgaan voor het huis en zij zagen door de harten der blinden zijn donkere gestalte dwalen onder de linden, terwijl hij naar boven staarde.

Enkele dagen later, den eersten dag van het nieuwe schooljaar, een stillen, stralenden morgen, begaf zich oom Sijmen met zün eenigszins slependen tred en zijn lichtelijk gebogen gestalte naar het gymnasium, dat hij, een uur later, zeer peinzend weer verliet.

Aan de koffietafel meldde kleine Inez, dat zü

Sluiten