Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

148

langzaam achteruit liepen, het middel omwonden met hennep, waarvan de vlosse draad onder hun handen door de werking van het ginds nijver snorrend rad tot een glimmend touw verstevigde; zq hadden zoo alledaagsche gezichten, dat Peter hen telkens vergat, schoon ook zij kleine Inez moesten kennen en misschien zelfs goeden dag toeriepen, wanneer zij, naar school of naar huis gaande, aan den overkant voorbij ging. Ook met hen maakte hij gaarne een praatje en soms beschouwden zij gedrieën, hun hoofden achterover, de bonte vliegers die, hoog en stil, prijkten in den blauwen, met zilveren draden doorweven hemel. In de verte zag hij den Rustenden Landman tusschen de lage huizen die den straatweg naar Westervoort een eindweegs begeleidden. Soms telde hij de kippen en varkens, die pikten en wroetten voor de herberg; dan vergat hij te luisteren naar hetgeen de touwslagers zeiden.

Des avonds zwierf hij langs de singels en menigmaal staarde hij, verloren in droomen, naar de schimmen der zwanen, die roerloos dreven op den zwarten spiegel.

Kleine Inez is een zinnebeeld, het zinnebeeld

van het zuivere leven, zeide hij eenige maanden later tot oom Sijmen, dien hij, huiswaarts keerend van een verre wandeling, in de stad ontmoet en

Sluiten