Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

160

havenden leunstoel, waarvan de geborduurde rug een jachttafereel toonde. De verwondering was weer uit haar oogen geweken en opnieuw toonde haar gezicht de afwezigheid van iedere uitdrukking, die hem zooeven bevreemd had. Hij beschouwde haar opmerkzaam. Nooit had zij hem zoo deerlijk van vroegen ouderdom geschenen. De eertijds zeker schoone en misschien zelfs fijne lijnen waren grof en slap geworden; grauwe haren ontsierden de gezwollen en vormlooze wangen en kin, en zoo dof staarden de oogen, als hadden zij nooit eenige vreugde gespiegeld. Veertig jaren van toenemende vereenzaming, waarin het verdriet om de langzaam ontbladerde verwachtingen zich zelf verteerd had, zoodat in het land dezer ziel de stilte heerschte, die het einde der dingen omzwijgt en waarin alleen de hoogmoed met zijn zotskap en rinkelende schellen omging, doemden achter dit afgeleefd, welhaast stompzinnig gezicht.

De regen intusschen was dunner geworden, ritselde nu alleen nog af en toe zonder kletteren tegen de ruiten; ook het felle plassen der overvolle regenpijpen werd zwakker en het neuriën der dakgoten bereikte nu zün oor. Orgelspel kwam ergens vandaan, in vage golven dringend door de oude muren. Toen vielen, langzaam en galmend, drie slagen van den hoogen toren.

Sluiten