Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

169

die zich dan opeens ontspande, want hij had het paard voorbij zien gaan. Hn naderde steelsgewnze over het weeke mos, de dorre takken mijdend, die onder znn voeten kraken zouden en voor de opening bleef lüj weer staan. Hij hoorde het doffe geluid van den molen en de doffe stappen op zachten boschgrond van het nu onzichtbare paard. Maar weldra verscheen het moede hoofd opnieuw, geteekend met een bles, terwijl de oogen onder kleppen verborgen waren, en weldra ging het weer voorbij, stompzinnig, met lichtelijk zwoegenden hals, gespannen voor een zwaren dwarsbalk, die door een breede gleuf naar het binnenst van den molen voerde, waarin het geheim der karning zich voltrok.

Het was een gewoon bruin paard, dat vroeger misschien had gedraafd voor de rijtuigen van den grondbezitter, wien deze bosschen behoorden, en dat als veulen allicht in de malsche weiden van dienzelfden eigenaar, op hooge beenen galoppeerend, de vreugden van het paardenleven rijkelijk had genoten. Sedert jaren had Peter dit oude paard aldus den eenzamen molen geduldig zien drijven en telkens opnieuw, zijns ondanks, had dit schouwspel hem tot zwaarmoedigheidgestemd.

Hij ging verder, de stammen werden allengs schaarscher, de bodem begon te glooien, koelten

Sluiten