Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

179

tingbrug, waarover zij heen en weer plachten te hollen, over het sparrenbosch met zdjn gladde steilten, waarin des zomers de geuren in zware walmen hingen of dreven, terwijl de groene pluimen zongen als de zee, over het geduldig ezelken, dat soms opeens zijn sulligheid verzaakte en luid balkend, met steilen staart en steile ooren, terug rende naar den stal, over het portret van een der voorvaderen, den boozen ridder, wiens knevel, volgens een oude familielegende, vanzelf omhoog rees, als hij ten strijde toog. Zoo opende kleine Inez argeloos den schrijn dezer herinneringen, niet beseffend, dat aldus zoo kostbare wierook zich vervluchtigen moest. Dien avond, toen zij naar bed was, spraken oom Sijmen, tante Barbara en Peter nog langen tijd over al de dingen, waarover kleine Inez gesproken had, en oom Sijmen vertelde over den laatsten keer, dat hij Ronald gezien had, als een stervend prinsje gelegen in de kamer met witte muren, die een kloostercel geleek. Want nu zijzelf haar geheim had prijsgegeven, was mede aller schroom overwonnen.

Toen Peter eindelijk naar huis ging, haalde hij dieper adem dan gewoonlijk in de zuivere avondlucht en, den hemel peilend, waarin de gesternten opnieuw in vurige teekenen sidderden, voelde hij zich vol hoop en dankbaar gestemd.

Sluiten