Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

192

Sedert uren ritselden de sneeuwvlokken tegen de ruiten en net als dezen avond had hij het gordijn terzijde geschoven en naar buiten gekeken. In pijlsnelle dwarreling waren de vlokken neergeschoten in het gouden schijnsel van een waaiervlam, die wankelde en sidderde en door de vlagen telkens werd neergeslagen. Toen waren twee menschen door de blanke schemering gegaan onder de boomen van het kerkhof, aan gene zijde waarvan het donkere gevaarte rees der kerk. Het hoofd der vrouw ging schuil in een kaproen en de man droeg een zwaren stok, dien hij telkens rechtstandig neerstootte in de sneeuw. Floris Roelof hoorde hun stemmen brommen en hij had den indruk, dat deze beide menschen oud waren.

Waarom was deze herinnering zoo scherp gebleven vanaf het schrale voorjaar zijns levens tot in den strengen winter van dezen ouderdom? De duizelingwekkende snelheid, waarmee de jaren waren voorbijgesuisd, verbijsterde hem en sneller vloden zij, nu alle dagen gelijk waren en hij geen belangstelling meer in de dingen had. Straks zou hij sterven, gelijk deze beide menschen gestorven waren en gelijk allen, die in den knekelhof begraven lagen, waarover zij dien winteravond gegaan waren, waarover hij zelf jarenlang dagelijks was gegaan, niet denkend aan zoovele

Sluiten