Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

211

uit een smalle zijstraat een ezelken in vreemde naaktheid, met steile ooren en enkel oogkleppen, klaarblijkelijk weggeloopen uit een stal, den singel zag opdraven, al spoedig achterhaald door een palfrenier in hemdsmouwen, maar met hoogen hoed, waarop een rosse kokarde prijkte en die, gelukkig zonder slagen en schoppen, den voortvluchtigen langoor terugleidde naar den stal.

— Net Tom, had kleine Inez gezegd. En zij had oom Sijmen's arm genomen en zich laten trekken, als was zij zeer vermoeid, schoon zij niet ver geloopen hadden en vlak bij huis waren. Tom was het onberekenbare ezelken van Ronald geweest.

Des avonds luisterde zij niet meer gelijk vroeger naar de gesprekken van oom Sijmen en Peter, maar bleef, dikwijls geeuwend, neuzen in boeken en schriften, totdat het bedtijd was geworden. Of wel zij speelde met een klein beenen vouwbeen, geklemd in een gemzenpootje, dat zij den vorigen zomer in Zwitserland gekocht had. Zij bewoog het ding beurtelings voor haar linker of rechteroog, het andere toeknijpend en aldus haar gezichtsveld op velerlei manieren verdeelend, daarbij zeurige * wijsjes neuriënd, gelijk kinderen doen, die zich vervelen.

— Schort er iets aan, Inez? vroeg tante Barbara eens aan de koffietafel, terwijl zij den

Sluiten