Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

229

het haar, dat dofblond was gebleven als het hooi, dat des zomers op het land in bergen rust en zoeter geurt, wanneer de avond daalt, zoodat oom Sijmen, de veel belezene, eens peinzend de opmerking herhaald had van Jules Barbey d'Aurevilly, den grooten vrouwenkenner, dat men geenszins naar het haar, integendeel naar de huid behoorde te oordeelen, inhoever een vrouw blond veeleer dan donker geschat moest worden. Haar gezicht, vroeger bijna rond, was nu ovaal geworden en had de rustige, zuivere uitdrukking behouden, die het altoos had gekenmerkt, al scheen het Peter, dat deze uitólrukking verdroomde, naarmate zij tot het besef der dingen stelliger ontwaakte. Oom Sijmen had zich bijwijlen afgevraagd, of de vleugels van den fijnen, rechten neus, die in het midden even dreigde te vervlakken, zonder nochtans de fraaie, kalme Hjn van het profiel te schenden, niet vaker en sneller dan vroeger deinden op welke speelsche zuchten des levens en of de beide lichte zwellingen der onderlip, ten spijt der volmaakte aanpassing met de zoo zuiver gesneden bovenlip, in den loop dezer laatste jaren niet voller en rooder waren geworden? Maar als hij den klaren en diepen blik harer grauwe oogen op menschen en dingen rusten zag en lüj hoorde haar in bondige uitspraken haar juiste aanvoe-

Sluiten