Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

264

kanteelen plotseling dreigden op de hoeken der smalle straten en in welker hooge zalen, waar het rook naar molm en spinrag, zij de meubelen en hangende tapijten van vroegere geslachten tot alle schakeeringen van ijzergrauw en parelgrijs verwelkt zagen; en dwalend in de tuinen van Versailles, droomden zij over hoofsche schimmen, die door den blauwen schemer waarden, en over een koele herfstwind, die roode blaren strooide over de droge bekkens, waarin de wufte tritons speelden. En ook in Bretagne zwierven zij door tuinen, die geheel verwilderd waren en waarvan de paden in struweel en onkruid gaandeweg verliepen, tuinen, die zich heinde en verre strekten om een verlaten en vervallen kasteel, donker rijzend boven een dooden vijver, waarin twee zwarte zwanen dreven, eeuwen geleden bewoond door twee jonge menschen van groote schoonheid, broeder en zuster, die in wilden echt bloedschandeüjk hadden geleefd, totdat zij, gegrepen en veroordeeld, hun zware zonde boetten op het hoog schavot. En verder naar middeleeuwsche stadjes voerden hun omzwervingen, waar zij overnachtten in logementen uit den goeden, ouden tijd met geplaveide binnenplaatsen, waarop de duiven kwamen neergestreken, terwijl de bestofte diligences daverend door wormstekige poorten bin-

Sluiten