Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

277

veeren verwaaien zag, toefden vrouwen soms spiedend op de drempels der nog donkere nachtkroegen, alvorens binnen te gaan. De trams ronkten zwaarder en stevenden haastiger de hoeken der straten om en van uit eindelooze verten, zoo scheen het, kwamen de menschen aanwandelen, opgewekt en onbezorgd oogenschijnlijk, maar allen vermoeid en gekweld, allen bezeten en gedreven door genotzucht en winstbejag, allen vastgebeten in de natuur, gelijk de wilde eend, wanneer zij doodehjk gewond is, zich vast bijt onder water om aldaar te sterven.

Eens zag hij Arthur onder de boomen van het Voorhout achter de raampjes van een huurrijtuig, dat zich op den sukkeldraf van een ouden grauwschimmel langzaam voortbewoog. Arthur deed stil houden en een poos bleven zij praten. Arthur verdedigde zijn levenshouding, zonder dat Peter deze had aangevochten; hij moest in ontucht en verderf leven om te kunnen schrijven en alleen in de wroeging, die zijn slechte daden volgde, had hij zijn beste bladzijden en gedichten geschreven. Peter had zijn schouders opgehaald en niet geantwoord en al spoedig waren zij gescheiden, onvoldaan over elkaar.

Vaker dan vroeger kwam Peter bij Grootvader het middagmaal gebruiken, want dichter schenen

Sluiten