Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

280

besneeuwde dek. Dan vielen zijn blikken op een paard, dat, nabij een lantaarn, zonder kar noch man, kalm vrat uit den leeren hooizak, die over zijn slappe ooren hing. Het was een oude schimmel; zijn huid scheen met roestvlekken bespikkeld, zijn zijden waren door de harde strengen kaal geschaafd, terwijl zijn botten en ribben overal uitstaken; hij stond op beslijkte en geschonden beenen, met kromme knieën, het evenbeeld van den rossinant, gehjk de spaansche ridder hem bereed. Onverpoosd malende keek hij geduldig en mistroostig en lichtelijk wantrouwend naar Peter en toen deze naderde, weifelde zijn glansloos oog even, als verwachtte hij barsche woorden of erger. Peter streelde hem over het vlakke en harde voorhoofd. Het dier wilde kwispelen met zjjn ooren, maar het eene zat gevangen onder de riemen van den hooizak, zoo buitelde alleen het andere heen en weer, terwijl lüj zwaaide met yijn vuilen, gelen staart en een achterbeen optilde, dat hij dan dreunend op de keien terug liet vallen. Peter dacht aan een ander paard, het paard uit den karnmolen in de bosschen van Heijenoord, waardoor nu de sneeuwvlokken warrelden als over deze rivier. Sedert jaren had hij dat oude, bruine paard niet meer gezien. Zoude het al dien tijd, gelijk ook dezen middag, geblinddoekt en stompzinnig den

Sluiten