Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

289

zenspel van een goudvisch volgde, die in een groote kom, buiten den Hchtkring, met trage wendingen rondzwom, uur na uur. Wanneer de gulden dagen windloos waren of wanneer de zware sneeuwval de wegen onbegaanbaar had gemaakt, volgde hij werkeloos urenlang de gele blaren of witte vlokken, die langzaam vlinderden of ijlings warrelden over de stille gracht. En als in het voorjaar de zwermen der musschen naar andere oorden waren heengezwierd, zoodat hun vroolijk rumoer van heel ver klonk, luisterde hij, mümerziek en verbijsterd, naar de zonnige stilte, die gonsde van verborgen leven.

Soms herleefde het verlangen de vreemde contreien weer te zien, die hij met haar onder de hoede van oom Sjjmen en tante Barbara bereisd had. Opnieuw wilde hij aan de oevers der meren van Lugano en Gardona de bladeren der citroenstruik plukken, waarmede lüj indertijd over Inez' wangen en Inez' Kppen glimlachend had gestreken, opnieuw wilde hij de saffieren en zilveren watervallen bewonderen, die lüj met haar had zien glanzen in de blauwe morgennevels van het hooggebergte, waar de eenzame kasteelen der hongaarsche edelen als betooverde sloten hingen tusschen hemel en aarde.

Meermalen ook mijmerde hij over verre reizen

19

Sluiten