Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

293

looze kinders om hem heen, naar het vuur, dat telkens oplaaide in de donkere ruimte, luisterend naar de klinkende slagen, waarmede de sombere smid het roode ijzer op het aambeeld kneedde.

Hij baadde zich in de Zuiderzee tot laat in den herfst, vaak onder het verwonderd en wantrouwend oog der bengels, die op hun klompen samengescholen, zwijgend zijn verre hoofd boven de golven volgden en zich voorzichtiglijk verwijderden, als hq ten slotte onder den valen hemel, die in het oosten reeds duister werd, druipend rees uit de flauwe golven.

Vaak slenterde hij op de paardenmarkt, diep ademhalend in de driftige walmen, die hem telkens omvlaagden. Hij zag de vlokken schuim heren derwaarts vliegen, de zwarte en bruine schoften glanzen, de manen der vossen waaien als rosse vlammen in de zon en alom de zware branding der onrustige hoofden met hun spalkende, trillende neusgaten en wilde, schichtige oogen. De aarde dreunde onder het mokeren der machtige hoeven en wanneer onder de iepen, die den Gouden Karper beschaduwden, een trotsche hengst, kort aan den toom gehouden, snuivend en brieschend ter keuring voorbijdraafde, sidderden vensters en gevels wijd in het rond. En als hij dan huiswaarts keerde, voelde hij zich soms bedrukt als

Sluiten