Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

pend zussie loopend, ineens voor ze stond: „het-ie gehuild?" — „Dat het-ie", had tante Toos geantwoord: ,,'k hei 'm gezeid, dat as-ie niet ophoudt met van al de nagels van z'n tien gebojen te kluiven, 'k 'm hier niet meer hebben wil—" — „ vf at ken óns dat nou schelen?", had Koert, z'n vriend bijstaand, geantwoord: „wij doen óók zoo'n boel,

dat niet mag " — „Precies, liefie", zei tante men-

schelijk: „maar 'k zee 'm enkel voor z'n eigen bestwil, dat-ie z'n nagels later nog mot gebruiken.... De rest gaat mijn niet an " Ze sprak 'r met niemand 'n woord over, zelfs niet met Ko, die sinds de ellende in Heerlen 'n zwijgende, zich met weinig dingen bemoeiende kerel geworden was <— ze om-warmde den nieuwen huisgenoot met koesterende hartelijkheid — dee ruw en krakeelerig tegenover de spichtige nicht, die den jongen met stukkende zooien en met linnengoed, waarvan je soep kon koken, naar de Gloeilampenfabriek het trekken.

„Zouen jullie nu wel in die ijsrommel gaan wandelen?", zei Toos dien Zondag: ,,'t is hier zaligieswarm en je komt met klesnatte voeten terug...."

JMaar de lucht was strak-blauw, de zon beet 'n stralend gat in den hemel •— de boompjes leken eens zoo groot, eens zoo fleurig door 't verstarde sneeuwdons op de takken — de daken en schoorsteenen, de kozijnen en heggen blankten en dampten in 't zonlicht, of je overal hermelijnen vachten en zwanenveeren zag, en de wegen van 't Pmhpsdorp vervloeiden zoo mollig tusschen de wit-bestoven, gewatteerde huiswanden, of over-nacht 'n

39

Sluiten