Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de gekke wijsheid en de mallooterij vandaan haalde. As ze zich herinnerde, dat ze de wildzang wel meer 'n afstraffing had toegediend, 't vinnig tegenspartelen van 't meisje, de gesprekken over de hand, die boven je graf uitgroeide als je je ouwers dreigde, maar de verzoening, die 'r soms in minder as geen tijd volgde, omdat 'r op de heele wereld geen kind was met enkel geheugen voor 'n klap of 'n booze bui — hoefde ze niet lang te prakkizeeren, om te raaien wie de koppige rekel nad opgezet, wie de schuld was, dat ze onder zulke omstandigheden, zoo naar bleef doen. Dat was de jongen. Die stookte z'n zussie op. Die had't achter de mouwen. Daarvan wist je zelden of je 'm van achter of van vore zag, of je hom of kuit an 'm had. Lag je achterover in je stoel, met je oogen dicht, dan zag je door de spleten hoe-ie met 'r zat te fluisteren, hoe-ie allemaal geniepige teekens gaf, en as-ie 't zussie op de slaapkamer goeien nacht ging zeggen, most je ten slotte an de trap roepen waar-ie bleef, zoolang as 't gesmoes met d'r tweeën, zonder da-je 'n geluidje hoorde, duurde. Je kon je met Koert de krankzinnigste moeite geven, bereiken — wat je noemde héélemaal bereiken — dee je 'm nooit — had je nooit gekend — en nou speelde-ie 'n judasrol bij 't zussie, waarmee je toch zoo'n last en moeite had.

Had Toos zich niet zoo in 'r eigen gedachten vast-geredeneerd, had ze iets meer van wat 'r in de twee kinderen omging, aangevoeld, had ze in de fantasie van den gebrekkigen jongen, die 't 'n

62

Sluiten