Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gierig naar de werkbank en de tafel, vol fleschjes met ei-gele, karmijn-roode, koper,groene bezinksels, naar den bunsenschen brander onder 'n door

n stang vastgehouden retort, naar de bekerglazen en kronkelende buizen, 'n Schoorsteen van zink, met 'n zinken trechter, voor de kwade dampen, trok t dak door. Langs de wanden hingen tabellen en 'n groot blad met de vervloeiende kleuren van t zonnespectrum, en vlak boven de tafel met 'r microscoop was 'n bijna levensgroot portret van

n glimlachenden man met 'n phusbaard en vriendelijk-starende oogen. Wetter, che z'n feestdag had, omdat-ie z'n overwerk-uren met 'n halven dag vrij in mocht halen, en nu tegen 't geluk van voor zichzelf tot diep in den nacht te kunnen prutsen, aan zat te snuiven, spoot zulke rookwolken uit z'n Duitsche pijp, dat-ie 'r haast achter verdween. Toen, om te laten zien, hoe tip-top z'n laboratorium ingericht was, trok-ie 'n neveltje over, en 'n kleine electrische ventilator in den zinken luchtkoker, zoog zichtbaar den log-drijvenden blauwen mist in den trechter. Godefroid Mourier glimlachte traag, en omdat-ie niet goed wist waarover-ie met Friedel's vader, wiens lichtende brilleglazen hinderlijk-spetterend de oogen bedekten, moest spreken, en t niks zeggen óók weer niet kon, vroeg-ie van wien 't portret boven de tafel was.

„Dat ies", zei Wetter, die al voortreffelijk Hollandsen met 'n zwak accentje sprak: „mijn in de gevangenis, in Alt-Moabit gestorven vader...." Hij zei 't met 'n eenvoud en trots in z'n stem.

L54

Sluiten