Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En weer herhaalde Friedel, die zich geen tijd had gegund 'r haar op te steken: „Sie Aermster....!"

Daar zat-ie dan zonder 'n traan te laten in de. huiskamer benee, houdingloos, den grond bekijkend, met de lange beenen vooruit, en de nieuwe, bruine schoenen plomp omhoog. De eene kom koffie na de andere slobberde-ie leeg, rimpeltjes blazend tegen de hette in, en omdat grootmoeder 'r bed hield, en moeder, ziek van den onrustigen nacht, langer bleef slapen, rookte-ie 'r zijn pijp bij, die hoe langer hoe bruiner werd, en die-ie langs z'n mouw glanzend wreef. Buiten tolden zware sneeuwvlokken, soms lusteloos neer-drenzend, soms door den wind tegen de tranende ruiten geklit. Met de schichtige koloogen keek-ie telkens dien kant uit, omdat Friedel, neelemaal ondersteboven door den dood van den jongen — de dokter had nog minder-lang dan Wetter onderzocht — van boven naar benee holde, om de zieken bij te houen, 't middageten voor de familie klaar te maken, en iederen keer als ze in z'n buurt was, 'r vuurrood-

feworden neusje moest snuiten, en wéér de beoefte had z'n kom te vullen. Zoo vonden 'm om een uur tante Toos, Kobus, Koert en Leentje, die met fel-angstige oogen in de deur-opening bleef staan, en dadelijk in alle hoeken en gaten van de kamer rondspiedde, om te kijken waar de doode jongen gebleven was. Godefroid, die z'n eten geslikt had, zonder 'n woord te spreken, lummelde in den stoel. Hij bewoog niet, zat de nieuwe veters, die niet in den strik wouen

170

Sluiten