Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ijzeren schop, om z'n zoon de allerlaatste eer te bewijzen. In de stilte van 't kerkhof waarin alleen 't gillen van 'n rangeerenden trein en 't blazen van stoom door den zwoelen wind aan werden gestuwd; in de tintel-klare stilte, bij 't gewiegel der takken in den zonne-vijver, 't scheren van witte vogels met lichtende, schuim-spettende vlerken, 't vreemd-ijl geroep van de lijster, die 'r geluid op de blanke zonnevreugde af scheen te stemmen — bij die weelde-stilte, die 'n brug leek te slaan naar de Eeuwigheidsruimte, stroopte de vader z'n pas-gekochte zwart-garen handschoenen, bij 't antrekken tusschen de vinger-gleuven gescheurd, maar zoo in de schuilplekken der te lange mouwen verborgen gehouden, dat niemand iets van 't onheil had kunnen zien, zenuwachtig af, eerst den eene, toen den andere, en terwijl-ie de schop als 'n te zware vracht bewoog, smeet-ie drie pijnlijk-kinderachtige, maar Op't hout zwaar-echoënde kluitjes. Hij trilde 'r bij. Zijn geel-bleek, gladgeschoren gelaat, onwennig in 't glansgordijn, dat langs de boomtoppen plooide, werd door zulke zenuwtrekkingen besprongen, of-ie moeite had z'n gierlachen te bedwingen. En toen-ie klaar was, nog houdingloozer dan bij z'n binnenkomen in de woning van Wetter, spitte-ie de spade in den donkeren aardhoop, haalde diep adem of-ie hard geloopen had, en begon met eigenzinnige rukjes de van den grond opgeraapte handschoenen, om de te plompe vingers te wringen, 't Bleef stil. Van uit de boomen langs den weg zilverde 't gepraat der musschen.

175

Sluiten