Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

borst en de litteeken-armen bij 't vuur, en den geelbleeken reus met 't kortgeschoren haar, den lanterfanter met de hinderlijk-krakende bruine schoenen, in 't zonne-kamertje bij de Wetters, alleen met Friedel, terwijl de vader, die enkel voor z'n scheikunde-proeven leefde, zich in 't schuurtje opsloot, en de moeder en grootmoeder boven in ar bed bleven. Den heelen avond had-ie zich zitten verbijten, zich afzonderlijk gevoeld, zich aan elk vrouwehjk gebaar tegenover den vader van den gestorven jongen verwonderd —■ en nou wist-ie — de vent met de koloogen en de slungelige, schuwe bewegingen, die 'm de dampen an had gedaan, kwam versch uit de kast

„As jullie 't stiekem hielden, wat ik nóu pas hoor," zei-ie eindelijk en z'n hand omklemde nog feller de stoelleuning: „dan had je mijn kennen vragen of ik 'r ook van gediend was! Ik laat me niet den eersten den beste opdringen! ik ben niet as Koert

benejen de jaren! Ik verdom 't! Dat het hier

gezeten! Dat het hier gevreten! Dat het de

bram met z'n nieuwe pak en z'n schoenen uitgehangen!— Dat wist waarom-ie z'n zoon den dood

aandee! En nou vraag ik nog enkel, waarom-ie in

Leeuwarden zooveel jaar vast is gehouen.... Nou?"

„As je kalm blieft te zijn, Ko," sprak Wetter rustig: „kennen wij jou antwoorden. JVlet anschnauzen bereik je niemendal "

„Ik verdom 't kalm te zijn!" bulderde Kobus 'r bleek van woede op los: „ik vraag wat de vent uitgehaald het! Of weet je 't zélf niet?"

189

Sluiten