Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

18

ordepaleis te Jeruzalem met uitgebreide stallen voor 2000 paarden en 1500 kameelen en vooral van de daar gepleegde ketterij. Paus Innocentius achtte het raadzaam den Visitator in Europa te wijzen op het bedroevend gedrag der broeders: zij geven zich af met ongeoorloofde leerstellingen, nemen deel aan wereldsche dingen en zwelgerij; veel schandelijker dingen worden verzwegen, om geen zwaarder straf te moeten toepassen, als b.v. het intrekken der privilegiën. Ook keizer Frederik II laat zich weinig vleiend uit over de „trotsche" Tempelridders, over de gastvrijheid (in vredestijd) in hun ordehuizen bewezen aan Mohamedaansche grooten, waar deze zelfs hun ceremonieele eeredienst verrichtten. Bloedvriendschap kwam voor tusschen een Tempelier en den broeder van den Sultan van Egypte, terwijl Bedoeïnen en ridders als gelijkwaardigen in tornooi kampten. Nassredin, de uit Egypte gevluchtte zoon des Sultans werd in een der Tempelhuizen opgenomen (1154) en aan den vader uitgeleverd tegen betaling van 60.000 goudstukken.

Niettegenstaande deze berichten hielden de pausen de handen zegenend boven de Tempelorde. Clemens IV kon echter niet nalaten met een onderzoek te dreigen (1265) en stelde op het Concilie van Salzburg (1272) een vereeniging met de Johannieter orde voor. ten einde te beproeven het Heilige Land voor de kerk te behouden, welk voorstel door Gregorius(1273) en Ni col aas IV (1290) vergeefs werdherhaald. wegens den tegenstand van den grootmeester, die meende dat de ongeÜjksoortigheid der Johannieters dit verbood en ook hun werkkring teveel uiteenliep.

Toen de Orde zich volledig ontwikkeld had, bestond zij

Sluiten