Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— II —

n°. 52 en 49, 1908 n°. 2) in verkorte Duitsche vertaling van Dr. L. Dünner-Rogasen herdrukt.

Ook na de analyse van J. Guttmann Die Religionsfhilosophie des Saadia dargestellt und erlautert. Göttingen 1882 p. 85 v.v. en van H. Malter Saadia Gaon hts life and works. Philadelphia 1921 p. 204 v.v. (p. 206 noot 478 nog meerdere litteratuur, waarbij komt David Neumark Saadya's Philosophy. Sources. Characteristics. Principles (tegen Malter). Hebrew Union College Annual I. Cincinnati 1924 p. 503—573, speciaal p. 560) is er voor Dr. Dünner's uiteenzetting van dit zeker wel moeielijkste gedeelte uit Saadja's werk plaats.

Litterair-historisch vinde ook het volgende hier nog vermelding. In de x -f- y onderteekende artikelenserie in het Nieuw Israëlietisch Weekblad 1865—1866, een critiek op R. Dozy's De Israëlieten te Mekka van Davids tijd tot de vijfde eeuw onzer tijdrekening, was alleen het eerste artikel van M. Roest Mzn., al de vervolgen van Dr. Dünner. In één dezer gaf hij de geniale opvatting van het veel geciteerde vers Ezechiël XX, 25 als oratio indirecta. Een reizend Joodsch geleerde had van Dr. Dünner deze verklaring gehoord en ze Graetz mondeling medegedeeld, die haar in zijn Geschichte der Jaden, Deel X (ed. pr. 1868 p. 191, ed. 3, 1897 p. 174 noot) ter bestrijding van Spinoza overnam, zonder den auteur dezer verklaring te noemen. Daarop gewezen, verzocht Graetz Dr. Dünner hierover een artikel in de Monatsschrift, waaruit ook Dr. Dünner's prioriteit der opvatting zou blijken. Dit verscheen (aldaar XVIII, 1869 p. 459—465) onder den titel: „Drei Verse in Ezechiel". Dr. D. schrijft daarin:

„So viel wir wissen, war es in Deutschland Graetz, der zuerst (Geschichte l.c.) auf die eigentliche Bedeutung dieser Stelle obschon nur beilaüfig und zu allgemein, aufmerksam gemacht hot. Dieselbe Entdeckung wurde vont Verfasser dieses früher gemacht."

Hoe aangenaam verrast was Dr. Dünner, toen ik hem

Sluiten