Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

- 85 -

en met haar ook veel eeuwig-Jodendom, en de niet-Joodsche wereld wel wat al te veel verheerlijkt, alles om toch maar niet op die ghetto-Joden te lijken, die zoo'n geringschatting voor „den Goy" hebben en zich zelve als uitverkoren beschouwen, 't Is steeds goed, ons Joden, die inderdaad wel eens karakter en talent der anderen onderschatten, toe te roepen: „Mes chers correligionnaires, respect aux Gojim!" — doch 't lijkt mij, dat zoo'n raad, ook voor de Goyiem van meer waarde zou zijn, indien hij gegeven werd door een Jood, die zelf wat meer respect voor eigen volk had. Dat is het ook, waaraan het Franzos ontbreekt: respect voor het Jodendom en zeker respect voor het ghetto.

De oudere Duitsche romantische ghettoïsten, Berthold Auerbach, Leopold Kompert, enz., waartoe ook het Fransch novellistisch werk van Alexandre Weill, en het Deensche van Meïr Aaron Goldschmidt behoort, zal ik voorbijgaan, om even het zeer bekoorlijke mineur boekje van Samuel Max Melammed — den schrijver van die „Psychologie des jüdischen Geistes"— „Gestalten und Schatten" te vermelden, dat Israël Zangwill als één der beste ghetto-schetsenbundeltjes prijst.

In dit werkje, één van de derde, zuiver artistieke soort, is iedere tendenz verbannen. Stil en droevig is het. Het speelt ook niet in een modderig, rumoerig, doch humorvol en kleurenrijk stadsghetto. Het vertelt van de Schnorrers op 't BeisChajim, die daar een maatschappijtje van verworpelingen gevormd hebben en samen, als schapen in hun schaapskooi, slapen in 't Hekdesch. Ik zou dat boekje aan allen, die den Jood hebben leeren mis-begrijpen door veel dikke Schundliteratuur, in de hand willen geven, opdat zij er uit leeren kennen, die heele teere, armelijke bloemen, die nergens en nergens anders bloeiden en bloeien konden dan in onze ghetti, die Goloes-bloemen, niet blauw, niet rood, niet wit, niet geel, maar bloemen, die toch kleur hebben, onnoembare kleur, den laatsten weerschijn der Schechinah. Hoort dien zin: „Orki war ein armer Jud', ein Jud wie alle Juden, viel Kinder und wenig Geld. Aber sein Haus war immer voll

Sluiten