Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— H9 —

van die vrijheid konden constateeren het afwezig zijn van een Joden-reglement en het verlangen der steden, om eerste-klaskooplieden, als de Marranen geweest moeten zijn, bij zich op te nemen, willen we nu nog het Marranen-probleem uit oekonomisch oogpunt, dat in zijn vollen omvang, voor zoover ik weet, nog nergens onderzocht is, onder de oogen zien.

Vooraf dienen we, tot goed begrip van het vraagstuk, de geschiedenis der Joden op het Pyreneesche Schiereiland met een paar lijnen te schetsen. Het was een tijdlang de glansperiode van het verblijf der Joden in de Diaspora.

Vermoedelijk reeds vóór het jaar 70 d.g.j. waren Joden in Spanje en leefden als volle Romeinsche burgers in den landbouw en als handwerklieden, van handel en scheepvaart. Ook nog onder de Ariaansche Koningen van het West-Gothische rijk (419) waren de Joden in hun rechten geheel gelijk aan de overige bevolking. Onder den Katholieken Koning Reccared in 589 begon echter een Joden-vervolging en een Joden-wetgeving, waarvan het ééne besluit al wreeder was dan het andere. In 693 heeft Koning Egica alle onroerende goederen der Joden geconfisqueerd, hen zelf tot slaven verkocht of als zoodanig weggeschonken, en in het volgende jaar besloot hij, dat alle Joodsche kinderen tot den doop gedwongen moesten worden en als Christenen opgevoed.

Was het wonder, dat, toen kort erop in 711 de Mohammedaansche veroveraars het Pyreneesche Schiereiland betraden, ze de hulp der Joden hadden en ze met open armen door hen zijn ontvangen? Alle verdrukkingen van het WestGothische rijk namen een einde en de bovengenoemde glansperiode brak aan.

In politiek en letterkundig opzicht, op elk terrein der wetenschap beklommen de Joden de hoogste sport van menschelijk kunnen in die dagen, als geneeskundigen en talmoedisten, als dichters en philosophen, als ministers en philologen. Dit tijdvak der Joodsche Geschiedenis, dat ruim zeven eeuwen duurde, is herhaaldelijk bewerkt en voortdurend

Sluiten