Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 138 —

eenige door I. Maarsen in een handschrift ter Secretarie der Hoofdsynagoge ontdekte brieven van de Hahamim en den Mahamad der Portugeesche gemeente4) gezonden aan de Synode der Vier-landen van Polen. Verschillende gelijktijdige aanteekeningen in de protocollen der Hoogduitsche gemeente worden daardoor opgehelderd.

De eerste komst van de Poolsche Joden naar Amsterdam wordt door Sjeërith Jisraël5) gesteld in 1648. In dat jaar waren de Poolsche Joden het slachtoffer geworden van de gruwelijke vervolgingen van den Kozakken-hetman Chmielnicki, die in de Ukraine en Galicië de Joden te vuur en te zwaard vervolgde. Wie het veege lijf kon redden, vluchtte naar naburige staten; enkelen trokken door naar het voor Joden gastvrije Holland waar zij, zooals Sjeërith Jisraël het uitdrukt, Pita "tflM tPpttt aankwamen.

Groot kan het aantal Joden, dat hier toen toevlucht vond, niet geweest zijn. Van hun vestiging is in het archief geen spoor te vinden. Dat er ongeveer 1648 zich hier eenigen hebben gevestigd, wordt aannemelijk gemaakt door het feit, dat een der Parnassijns van 1657 wordt aangeduid met den naam Leib Polk. Gelijk de Hoogduitsche Joden in de dertiger jaren vonden ook de Poolsche Joden bij hun komst hierheen een gastvrij onthaal, voornamelijk bij hun welgestelde Portugeesche geloofsbroeders.

Over de Joden in Polen, die na de slagen, hun door de Kozakken onder Chmielnicki toegebracht, eindelijk verademing hadden gevonden, braken kort daarna weder nieuwe stormen uit. Waren het in 1648 de in de Ukraine en Galicië gevestigde Joden, die het vlammende zwaard der vernieling tegen zich gezwaaid zagen, in 1655 waren het de Joden in Lithauen wonende, die door de strijdende legermachten eerst van de Moscovieten, daarna van de Zweden, die beiden tegen de Polen waren opgetrokken, werden geteisterd. Door vriend en vijand beiden bestookt, trekken groote scharen Joden uit Lithauen weg. Velen vlieden in den loop van dit en het volgende jaar naar Amsterdam.

Sluiten