Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dam vertoeft, weten zij hem er voor te winnen, als scheidsrechter in het geschil op te treden. Van de onderhandelingen, die de Hoogduitsche Parnassijns alsnu met de Poolsche voeren, geeft het protocol het volgend relaas.

Op Zondag i Tammoez 5429 (30 Juni 1669) zenden Parnassijns den Voorzanger der gemeente R. Leizer Gazzen met Mattisjahu ben Meschoellam Wallerstein, waarschijnlijk één van het gevolg van den Frankfortschen Opperrabbijn, tot de Poolsche Parnassijns met de mededeeling, dat, nademaal de genoemde Opperrabbijn hier ter stede vertoeft en de Hoogduitsche gemeente zich te beklagen heeft over de Poolsche, zij de Poolsche Parnassijns verzoeken, dat in die geschillen zal worden beslist, hetzij door genoemden Opperrabbijn als scheidsrechter, hetzij door een college van drie arbiters, door iedere gemeente één aan te wijzen, terwijl die Opperrabbijn als derde lid zal optreden. De Poolsche Joden zouden hun klachten gelijkelijk kunnen doen behandelen. De Poolsche Parnassijns hebben daarop geantwoord:

„Wij willen eerst onzen eigen Opperrabbijn (R. Löb ben Salomo) raadplegen en daarna antwoorden." Het antwoord, dat denzelfden dag nog werd gezonden, luidde, dat de Poolsche Parnassijns bereid waren wederzijdsche geschillen voor een scheidsgerecht, als door de Hoogduitsche Parnassijns voorgesteld, te brengen. Dit zou echter niet mogen behandelen de quaestie van de scheiding der gemeenten, waaromtrent (n.1. door de Poolsche Synode) was bepaald, dat zij gescheiden zouden blijven en geene eenig overwicht over de andere mocht uitoefenen, terwijl ook ieder zijn eigen rabbinaat zou hebben. Daar dus over deze,zaak reeds door een kerkelijk tribunaal een beslissing was genomen, kon zij niet opnieuw aanhangig worden gemaakt.

Den volgenden dag worden de beide afgezanten weder naar de Poolsche Parnassijns en den Opperrabbijn der Poolsche gemeente gezonden, met verzoek te verschijnen en hun zaken voor te leggen, waarop de Poolsche Parnassijns weder hebben geantwoord, dat zij dit wel wilden doen, doch over

- 143 -

Sluiten