Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 147 —

hun gemoedsstemming in bittere uitdrukkingen lucht.

De Poolsche Joden, zeggen zij, hebben hun bitteren nood geklaagd over den van de Synode ontvangen brief, waarbij deze is teruggekomen op haar vijf jaar geleden genomen besluit ten gunste der Poolsche Joden. Hoe, vragen zij, kan de Synode, zonder den beklaagde te hooren het oor leenen aan vreemden, die lasteren en kwaad spreken, wier woord is als adderenvenijn, die ongelukkigen trachten te vernietigen en uit den weg te ruimen en hun doel niet opgeven, voordat zij het bereikt hebben! De Portugeesche Rabbijnen zelf kunnen getuigen van de verdrukkingen en beleedigingen, welke de Hoogduitsche Joden den Poolschen Joden aandoen. Zij hebben hunne gemoedsaandoeningen dan ook niet kunnen onderdrukken en niet geaarzeld bijstand te verleenen aan den verdrukten, die toch nimmer weerspannig zijn geweest en steeds bereid naar wet en recht te luisteren. Anders dan de Hoogduitsche Joden, die de Portugeesche Joden ondankbaar en trotsch behandeld hebben en vergeten hoe deze hun in ellende en nood hebben bijgestaan naar hun vermogen dat God hun heeft gegeven, gehjk zij nog steeds bereid zijn de geboden van de gastvrijheid op te volgen. Zij, de Portugeesche Joden, hebben zich het lot van de Polen aangetrokken en hen gesteund, dank ook hun macht en hun invloed bij de grooten van het land. Diep zijn zij daarom ontsteld door de noodlottige tijding, dat zij in de oogen van de Synode ongeschikt zijn verklaard verder als bemiddelaars op te treden. Zijn de Portugeesche Joden dan dwazen en ketters! Integendeel, groot is het aantal hunner wetgeleerden, de Thorastudie wordt door hen steeds onderhouden. Zij leven als andere wetsgetrouwe Joden, uitgezonderd de afwijkingen in den ritus bij het gebed, waarbij zij op gezag van voorname decisoren de traditiën hunner voorouders volgende, het gebed niet onderbreken door de voordracht van Pioetiem. Staat niet de studie der leer bij hen op hoogen trap, alsmede de verzorging van de leerlingen en de leeraren en heeft daar niet getuigenis van afgelegd de geleerde R. Sabattai Scheftel Hurwitz in de inleiding tot

Sluiten