Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 153 —

gansch onderdanig en ootmoedelijk versoekende dat henluijden, als kerkmeesteren van de Poolsche Joodsche Gemeente bij U Ed. mede werden vergunt, geconsenteert en toegestaan, dat sij tot haerder commoditeit en gerief insgelyx een vleeshall mogen oprichten omme 't vleesch onder hunne gemeente aldaer, tot soulaes van haere armen, te venten ende te vercoopen met verdere interdictie en verbod als volgens de keure hiervooren gemelt, mutatis mutandis. 't Welk doende etc.

12 October 1672 beslist de Magistraat, dat de Poolsche Joden zouden genieten een vijfde part in het „gesach en profijt van de vleeschhal, die de hoogduijtsche Jooden onlangs toegestaan is" 18).-

De Hoogduitsche Parnassijns besluiten zich daaraan niet te storen. Op 2 Marcheswan 5473 (23 October 1672) hadden zij reeds besloten om geenerlei FiïSrw (gemeenschap) met de Poolsche Joden aan te gaan. Dit blijkt ook uit het navolgende adres door de Poolsche Joden tot den Magistraat gericht.

Aen den Ed. Heeren van den Gerechte der stad Amsterdam.

Geven in aller onderdanigheid te kennen de Kerkmeesters van de Poolsche Joodsche Gemeente binnen deser voorsz. stad, hoedat mijne Ed. Heeren van den Gerechte voorsz. tot soulaes van den supplianten armen en omme redenen, bij den annexe requeste gededucèert, hebben geheven te resolveeren en in margine van deselve requeste te appoincteren en te ordonneren, dat de supp'ten souden hebben een vijffde part van 't gesach ende in de profijten van de vleijschhal de welke den Hoogduijtsche Joden toegestaen is, ende de selve komen te ontvangen, volgens de keure mede desen annex; welke resolutie ende ordre van mijne Heeren van den Gerechte off wel die van de voorsz. hoogduijtsche Joodsche gemeente promtelijken en exactelijken hadden behooren geobedieert ende naergenomen te hebben gehad, zoo en is 't nochtans den supp'ten niet mogelijk geweest het effect van die selve Resolutie en Ordonnantie te genieten, onaengesien verscheijde minnelijke interpellatien en andere behoorlijke devoiren ten dien eijnde aengewent; werdende de sake gedurich verschoven ende uijtgestelt bij die van de voorsz h. j. G., die den supp'ten telkens en continuelijken bejegenen met dilatoire discoursen; hen tonende ge-

Sluiten