Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 155 —

sach ende in de proffijten van de vleeschhall, de welke den kerkmeesteren van de H. J. N. bij keure geaccordeert en toegestaen is.

't Wélk doende etc.

S. Seeligmann, aan wiens artikel in het Centraalblad voor Israëlieten in Nederland (i5en jaargang n°. 50) wij den text dezer requesten ontkenen, voegt daaraan toe, dat het stedelijk bestuur uit zijn midden een commissie benoemde om beide partijen te hooren. Ten slotte werd 26 Juli 1673 aan de Poolsche Gemeente verboden „het houden en frequenteren van aparte vergaderingen of kerke," maar het werd hun vrijgesteld zich geheel te voegen bij de Hoogduitsche Joodsche gemeente.

De Poolsch-Joodsche gemeente te Amsterdam hield daarmede op te bestaan. Reeds spoedig treffen wij een besluit van Hoogduitsche Parnassijns, waarbij hiermede rekening wordt gehouden. Op 8 Eloel 5433 (20 Augustus 1673) toch besluiten Parnassijns, nademaal de Poolsche gemeente was opgegaan in de Hoogduitsche gemeente, de Poolsche Joden in de gelegenheid te stellen, zitplaatsen in de nieuw gebouwde synagoge te koopen 18). De tweede veiling van die zitplaatsen, waaraan ook Hoogduitsche Joden konden deelnemen, als de Poolsche niet meer wilden bieden, heeft opgebracht / 5561.5.8, tegen / 23681 de bij den eersten verkoop geveilde zitplaatsen.

Onder de koopers treffen wij aan Süskind (Alexander) Pos en diens zoon Hirsch Pos, uit Krakau. Hirsch Pos wordt reeds eenige jaren later gekozen tot ontvanger van de restantengelden en nog later tot Parnassijn. Alexander schijnt de man te zijn geweest, aan wiens werken in het laatst van de 17e eeuw de Joden te 's Gravenhage te danken hebben, dat de begraafplaats aan den Scheveningschen weg is aangelegd 19).

Ook de Sjammos (koster) R. Joseph ben R. Eliëzer wordt later in diezelfde functie bij de Hoogduitsche gemeente aangesteld. Hij is anderzijds bekend geworden door het strijdschrift van R. David Lida prtro ua (Twistbron)21), die hem

Sluiten