Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

goed als waardeloos geworden en de tierceering had den ondergang der beurs voltooid. In 1813 bestond dus economisch het oude Amsterdam niet meer; misschien nog erger was het, dat men nauwelijks wist, hoe een nieuw Amsterdam op te bouwen. Niets is meer kenmerkend dan dat men, als de koloniën zijn teruggewonnen, niet weet, wat ermede aan te vangen.

Het is een groot geluk geweest, dat in dezen tijd van gebrek aan kennis zoowel als tekort aan energie de koning althans wist in te grijpen en te prikkelen tot de daad door de daad. Nu de oude wisselbank was te gronde gegaan, richtte Willem I in 1815 te Amsterdam de Nederlandsche bank op, die met rijksoctrooi de groote credietinstelling zou worden van het geheele land. Een tweede daad van beteekenis was de oprichting der Nederlandsche handelmaatschappij in 1824; zij was wel voorloopig in Den Haag gevestigd, maar steunde toch goeddeels op Amsterdamsen kapitaal; het was dan ook niet anders dan natuurlijk, dat zij reeds binnen weinige jaren naar Amsterdam werd verplaatst. De handelmaatschappij zou vooreerst den Indischen handel in handen nemen, maar daarnaast den handel overal drijven, waar particulieren te kort schoten; zij zou ten overvloede de Nederlandsche nijverheid krachtig bevorderen, ten einde uitvoerproducten te verkrijgen voor den Nederlandschen handel. Al mogen de bedoelingen van den koning met de Handelmaatschappij dan' ook niet ten volle zijn bereikt, dat zij zeer veel heeft bijgedragen tot de wederopleving van den Indischen handel, staat vast.

Men moet trouwens bij de beoordeeling van de handelspolitiek van Willem I niet vergeten, dat hij in de uitvoering van zijn plannen zwaar is gedwarsboomd door den Belgischen opstand. In Amsterdam werd die opstand vrij onverschillig aangezien; misschien hoopte men wel te profiteeren van het verval van het zwaar geteisterde Antwerpen. Maar weldra begon men te bemerken, dat ook Amsterdam zwaar onder den druk der tijden begon te lijden. Zoo werd ten slotte de stemming zeer ongunstig tegenover Willem I; toen hij in 1840 afstand deed, werd hij weinig betreurd. Van zijn opvolger verwachtte men meer en beter, ook op politiek gebied. Want als zoo dikwijls zette zich de maatschappelijke malaise om in

23

Sluiten