Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

selen van een romaansch kerkje nabij de oude St. Olofspoort. Dus omstreeks 1146 zou de drassige bodem van Amstelland reeds zoovele bewoners hebben aangetrokken, dat de stichting van een kerkje noodig was. Deze voorstelling is gegrond op een vrij onduidelijk iye-eeuwsch schetsje van een, laten wij toestemmen, eenigszins romaansch kapelletje. Maar wat is „romaansch"? In 1350 is er nog even goed romaansch gebouwd als in 1146. Dat Amsterdam dus in het laatste jaar op godsdienstig gebied iets beteekend zou hebben, mag, zelfs uit de overblijfselen van een romaansch kerkje, indien wij die hadden gevonden, geenszins worden afgeleid.

Maar in het midden der 13e eeuw was Amsterdam stellig reeds een plaats van eenige beteekenis. Dit volgt niet alleen uit het bekende tolprivilege, den 27 October 1275 door FJoris V verleend aan de „homines manentes apud Amestelledamme", dat van geen nut zoude zijn, indien er onder die „homines" geen kooplieden waren, die een handel dreven, waarvoor de tolvrijheid van veel belang was, maar ook uit andere gronden. En aangezien, zooals prof. Brugmans opmerkt, de verleening van tolvrijheid in den regel samengaat met het privilege van stadsrecht, bestaat er grond om aan te nemen, dat het plaatsje aan den Aemstel-dam in de 13e eeuw meer was dan een eenvoudig visschersdorp .

Eerste parochiekerk

Niet lang na het tolprivilege, vóór 1300, is in dit Amsterdam reeds een parochiekerk gesticht, gewijd aan den H. Nicolaas, aanvankelijk wel niet zoo groot als de nu nog bestaande Oude-Kerk; maar zij werd spoedig uitgebreid en geheel verbouwd binnen 50 jaar na hare stichting. Was het aantal parochianen dan in zoo korten tijd belangrijk vermeerderd, en de koophandel zóó toegenomen, dat er de aanleiding en de middelen bestonden om het godshuis, aanvankelijk klein, tot een grooten tempel te verbouwen?

Redenen van uitbreiding en opkomst.

Onlangs is, uit het jaar 1346, een merkwaardige oorkonde teruggevonden, die het mogelijk maakt deze vraag te beantwoorden. Daarin wordt door Nythardus, bisschop van Tarmopolis, uit naam van Jan van Arkel, den bisschop van

53

Sluiten