Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Damrak, valt ook bij Corn. Anthonisz wel zeer sterk op.

In het midden der veertiende eeuw heeft ook de waddenvaart een rol van beteekenis vervuld in het verkeer van onze haven, zooals uit registers van den hier geheven biertol, die toevallig bewaard bleven, blijkt. Deze betreffen slechts het verkeer van onze haven op Hamburg met hoofdzakelijk Nederlandsche schepen van 20 a 25 last. Aangezien daarnaast de aanteekeningen, waaruit het aantal schepen der groote vaart zoude blijken, niet meer bestaan, is het onmogelijk een verhouding vast te stellen. Dat het gelijktijdige verkeer met het westen toen belangrijk was, blijkt uit het tarief van den Kotertol in 1347, waarin, via Amsterdam uit de westersche havens geïmporteerde wijn, wol en zout voorkomen. Voor de groote vaart in oostelijke richting gelden reeds vroeger Lubeck in 1247, en Lijfland in 1277.

De eerste cijfers, welke die verhouding eenigszins doen kennen, zijn die van de Informatie van 1514, maar ook deze zijn niet geheel normaal. In vorige jaren, zegt de Amsterdamsche regeering, zijn er juist van de grootste en weerbaarste schepen in den strijd met Lübeck en den brand der Gelderschen veel verloren gegaan. (Volgens de Zeeuwsche kroniek door die laatste oorzaak alleen reeds 22 groote schepen.) „De principale neeringe es, die zy hebben, dat es met coomanscip ende met uytreedinge, oost ende west te zeylen; ende hebben in als 27 zeescepen, ende 13 boijeren, daerop datter 2 noch in Vrankrijk gearresteert liggen". „Ende hebben 83 of 84binnenlantsvaerders,alscoggescepenende Rijnscepen, die in Brabant, Vlaenderen en de domme vaeren om vracht.

De waddenvaarders, die tot deze laatste categorie behooren worden niet afzonderlijk genoemd. Wel vernemen wij, dat de Amsterdammers ook in parten reeden met in Waterland en West Friesland thuis behoorende schepen.

Die band met de Waterlandsche en West-Friesche reedenj blijkt ook uit de ordonnantie van 1475, toen men wegens den oorlog met Frankrijk de vloot in admiraalschap deed vertrekken. Als admiraals werden de vier grootste schepen uitgerust. Elk der 70 schepen had ten minsten vijf en twintig man en was goed gewapend, „opdat hem geen noode en syhaere schepen meer sonder steek en slag over te geven, als zy dickwyl gewoonlijk geweest zijn te doen". Dergelijke convoyers zien

102

Sluiten