Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hebbende organisatie der Gereformeerde Kerken en stelde daarvoor in de plaats het Nederlandsch Hervormd Kerkgenootschap, tegen welke handeling de classis Amsterdam tevergeefs protesteerde. Sinds werd een hevige strijd gevoerd tusschen rechtzinnigen en vrijzinnigen van allerlei gading, die in 1836 tot de beweging der Scheiding en in 1886 tot die der Doleantie leidde, welker aanhangers zich in 1897 m de Gereformeerde Kerk vereenigden. Ook vrijzinnigen traden in 1877, onder leiding der gebroeders Hugenholtz, afzonderlijk als „Vrije Gemeente" op, en na dien tijd werd het aantal dergenen, die zich in het algemeen aan het kerkelijk leven onttrokken, steeds grooter. Terwijl in 1849 1155 inwoners, of 0.36% der bevolking, verklaarden tot geene kerkelijke gezindte te bqhoorèn, was dit getal in 1920 gestegen tot 145590 of 21.3%. Het aantal Nederduitsch-Hervormdén daalde in ditzelfde tijdvak van 49 tot 29.5%. Van de kerkgebouwen werd de Gasthuiskerk in den Franschen tijd buiten gebruik gesteld, en werd in 1908 de fraaie Nieuwe Zijds kapel gesloopt en vervangen door een kleiner locaal, omgeven door winkelhuizen. In de nieuwe wijken werd een viertal kerken gebouwd, zoodat thans het aantal Hervormde kerkgebouwen aan deze zijde van het IJ, op het grondgebied van Oud-Amsterdam, veertien bedraagt.

Voor de Gereformeerde Kerk, voor zoover het Oud-Amsterdam betreft verdeeld in twee gemeentén: Amsterdam en Amsterdam-Zuid, werden tien kerkgebouwen opgericht.

Van de beide Waalsche kerken werd die op de Prinsengracht, hoek Molenpad, in den Franschen tijd gesloten. In 1856 werd echter de Eglise Nouvelle op de Keizersgracht in gebruik genomen.

De fraaie ronde Luthersche Kerk aan het einde van den Singel ging in 1822 in vlammen op, doch werd in denzelfden vorm herbouwd.

De revolutie bracht aan de dissenters meerdere vrijheid van beweging. Dit kwam vooral den Roomsen-Katholieken ten goede, wier vroegere huiskerken werden vervangen door kerkgebouwen thans ten getale van 34. Het aantal Roomschgezinden bleef nagenoeg stationair: in 1849 bedroeg het 21.8%, in 1920 22.7% der bevolking.

Het aantal Joden steeg van ruim 20.000 in 1796 tot ruim

161

Sluiten