Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waren. De burgerij zag haar handel, haar bedrijf, haar welvaart en haar vermogen steeds toenemen; zij was sterk door economische macht en gevoelde geen roeping in de politiek, die bovendien den handel en den bloei der stad voorstond, in te grijpen. Amsterdam was in de zeventiende eeuw het groote en machtige handelscentrum der republiek geworden. Op den grondslag van haar aloude economische kracht had de stad een machtspositie opgebouwd, die welhaast de geheele toenmalige wereld beheerschte. Van tal van. stapelartikelen was Amsterdam de wereldmarkt. Daar was de korenschuur van Europa; „daer is den gantschen koorenhandel", zegt een deskundige in 1630. Daarnaast was de houthandel van zeer groote beteekenis gebleven. Andere gewichtige handelsartikelen waren metalen; buitengewoon groot was te Amsterdam de aanvoer van ijzer, lood, koper, zink, staal en tin. Dan was er een zeer groote omzet in visch, vooral in haring; de Haringpakkerij herinnerde nog lang daaraan. De walvischvangst was grootendeels in Amsterdam geconcentreerd. Dan werd zeer veel bont- en pelswerk hier aan de markt gebracht. Van veel belang was verder de Amsterdamsche wolhandel. Uit de zuidelijke landen kwam wijn en zout, dat in zeer groote hoeveelheden werd aangevoerd; daarbij kwamen dan nog olie en zuidvruchten. Van allerlei luxe en mode-artikelen was Amsterdam de groote, markt, waar de geheele wereld zich daarvan kon voorzien.

Dat alles vormde een goederenhandel van zeer grooten omvang, die zijn vleugels uitstrekte van de Witte tot de Zwarte Zee en zoo alle zeeën, straten, baaien en havens van Europa omvatte. In alle Europeesche wateren zag men de Amsterdamsche kleuren, die op tal van plaatsen zelfs het monopolie hadden. Maar nog verder greep de Amsterdamsche handel, naar wereldstreken, waarvan het voorgeslacht eenvoudig nooit had gedroomd. Men weet, dat de eerste tochten naar Indië zijn uitgegaan van Amsterdam, dat daar de eerste compagnieën van verre zijn gesticht, dat tenslotte Amsterdam het voorbeeld heeft gegeven van centralisatie van die vennootschappen. En als ten slotte in 1602 de eenheid tot stand komt in de Vereenigde Oost-Indische Compagnie, dan plaatst Amsterdam ongeveer de helft der aandeden; de kamer aldaar heeft den grootsten invloed. En daardoor ook verkrijgt de

19

19

Sluiten