Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wetgevende macht bezat de vroedschap niet; als van ouds werden de keuren gemaakt door het gerecht, d.w.z. het college van schout, burgemeesteren en schepenen. En verder was en bleef het geheele stadsbestuur in den meest uitgebreiden omvang in handen van burgemeesteren: alle departementen, publieke'werken, finaciën, justitie, politie, militaire zaken en defensie, handel en nijverheid, armenzorg en liefdadigheid, kerkelijke zaken, werden door hen bestuurd; alles ging door hun handen. Hoe groot hun macht was, blijkt wel uit het recht van politieke uitzetting, dat zij hanteerden, zoodra een vreemdeling of een burger gevaarlijk voor de openbare orde dreigde te worden. Zonder opgave van redenen kon zulk een man eenvoudig bij burgemeesterlijk besluit uit de stad worden gezet; dat men daarbij niemand ontzag, blijkt wel uit het feit, dat zelfs predikanten op deze wijze zijn verwijderd.

Burgemeesteren konden zulk een groote macht bezitten en uitoefenen, omdat zij van geen enkel kiescollege en nog veel minder van de burgerij afhankelijk waren. Zij behoefden niemand naar de oogen te zien en om niemands gunst te verzoeken. Dat zulk een groote macht met straffeloos kan worden bezeten, heeft de achttiende eeuw wel bewezen; het bederf sloop toen de regeering in en ernstige misbruiken kwamen voor. Toch moet men zich daarvan geen overdreven voorstelling maken. In het algemeen kan men zonder aarzeling constateeren, dat Amsterdam in de dagen der republiek goed, veelal zelfs voortreffeüjk is geregeerd. Aan de vruchten kent men den boom; het Amsterdam van die dagen, dat nog steeds de bewondering van landzaat en vreemdeling pleegt op te trekken, is de schepping van de oude regenten.

Men moet zich ook niet voorstellen, dat in het algemeen de bevolking van Amsterdam met weerzin het gezag der regeering verdroeg, waarop zij hoegenaamd geen invloed had. „De natuur van dezen volke een afkeer is hebbende van alle ambitie", is een oud Amsterdamsen gezegde; het is de vraag, of het nog niet altijd geldt. Sedert eeuwen was het een hechte volksovertuiging, dat de regeering in zich zelf recht op de macht had, zonder dat haar het gezag door den uitgedrukten wil der regeerders behoefde te worden opgedragen. Daarom was dan ook geen bepaalde verkiezing noodig om eensgezind44

44

Sluiten