Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hebben Nicolaas Cannius en de scholarchen Cornelius Crocus, Alardus en Johannes Sartorius de studie der klassieken krachtig bevorderd. Evenals de 15e eeuw in Willem Eggert, heeft ook de 16e aan Amsterdam een geleerd koopman geschonken in Pompejus Occo, die zich tevens een verlicht mecenas heeft betoond. Hij, de type van den echt Hollandschen „mercator sapiens", den wijzen koopman, bezat een rijke bibliotheek voorzien van juridische en literaire codices, waarvan Alardus schreef, „dat in zijn huis meer dan duizend boeken verborgen liggen". Dat huis, genaamd „het Paradijs", was in de Kalverstraat gelegen en kwam aan de achterzijde uit aan het toen nog frisch stroomende Rokin-water. Als groot koopman en bankier beheerde hij de financiën van den Deenschen koning Christiern II, die bij hem zijn intrek nam, evenzeer als de door Christiern verdreven bisschop van Drontheim Eric Valkendorf. Deze vereerde Occo met een mooi geschreven bijbeltje. Pompejus bezat ook een codex van Rudolf Agricola's „Libri de Inventione Dialectica, " die golden als de beste methode van humanistisch onderwijs, maar nog niet gedrukt waren. Het was het vurige verlangen van Alardus dezen codex met zijn toelichtingen uit te geven, waartoe Occo hem, na vele wederwaardigheden, in staat stelde. Pompejus heeft zich ook een kundig boekenliefhebber betoond door de uitgave van twee boekjes: het eene in 1519 bij Johannes du Pré te Parijs, is een gebedenboekje in 160 getiteld „In mehus singula", en bestemd om door de koopheden op reis in den zak te worden gedragen. Met het andere bevorderde hij de Amsterdamsche boekdrukkunst door in 1523 bij Doen Pietersz. een „Passio Domini N. J. Christi" te laten uitgeven, opgeluisterd met mooie houtsneden van Jacob Cornelisz. van Oostsanen en met tekst van Alardus. Dit fraaie boekje toont op welke hoogte de boekdruk- en houtsnijkunst toen te Amsterdam stonden.

Van Occo wordt ook vermeld, dat hij de Heilige Stedekapel met kunstwerken van ongemeenen luister versierd heeft.

Omstreeks dezen tijd (1520) wordt een bewoonster van het huis „In het Paradijs" genoemd als stichteres van het weeshuis in de Kalverstraat, namelijk: „Haesje Claesdochter in 't Paradijs". Daarom waag ik de veronderstelling, dat deze rijke vrouw in verwantschap heeft gestaan met den even

65

65

Sluiten